Na de uit de hand gelopen ochtendwandeling in de Naarder Eng in Huizen, maak ik een kop koffie en klap mijn laptop open op mijn campingtafel op het parkeerterrein. Tijd om wat te werken.

Als ik zo half op het parkeerterrein in de zon zittend op mijn krukje aan tafel werk, krijg ik veel aanspraak.

Campers rijden weg (‘Tot ziens hè! Geniet er nog even van!’), de schoonmaakwagentjes stoppen naast mijn krukje (‘dat heb je goed bekeken, zit je hier gewoon te werken?’) en mensen die parkeren om de hond uit te laten in het natuurgebied kijken nieuwsgierig even naar mij en bij Fritz naar binnen om vervolgens te zeggen ‘dat is helemaal niet zo’n slecht idee om zo buiten te werken, waarom heb ik dat niet bedacht?’.

Maar ook zijn er mensen die je ziet denken ‘ja leuk hoor, zo werken, maar dat werkt toch niet. Heeft zeker geen behoorlijke baan, of is zo’n digital nomad of zo en verdient haar geld te makkelijk’.

Het is heel grappig om te merken dat iedereen mijn manier van wonen en werken eigenlijk een goed idee vindt, maar allerlei (drog)redenen voor zichzelf bedenkt om dit vooral níét ook te gaan doen. Soms zeggen ze het ook hardop (‘tja, dat kan bij mijn baan niet’ of ‘ik heb een gezin, een hypotheek, schoolgaande kinderen – ik zou niet weten hoe ik dat anders kan organiseren nu’), maar vaak zie je ze alleen maar denken. Afgunstig misschien, licht jaloers, het voor zichzelf goedpratend waarom zij deze stap niet zetten. Soms ook gewoon ‘dat is echt niks voor mij’. En dat is ook prima.

Want als iedereen in een camper zou wonen en werken, zou de wereld er heel anders uitzien. Niet per sé mooier of slechter, maar wel anders. Dan krijgen we wellicht filekamperen, paalladen en drive-in-supermarkten, maar wellicht ook meer natuurgebieden, parkeer/kampeerplaatsen en relaxtere mensen. Leuk om over te filosoferen.

Maar tot dan glimlach ik trots, want ik heb het wél bedacht – en doe het ook gewoon. En tot nog toe bevalt het prima!

(en OK: ik heb mazzel met het weer 🙂 )