Allereerst: ik ga me niet excuseren voor het uitblijven van nieuwe blogs, hoewel mijn hoofd wel vindt dat ik dat moet doen. Maar dat is een blog apart ;-).

Ik wil het nu hebben over Saartje. Mooie, lieve, trouwe Saartje. Onze fotogenieke (asiel)hond die op anderhalfjarige leeftijd bij ons kwam nadat we door de tralies heen op slag verliefd werden op elkaar, en hier 12 1/2 jaar bleef. Tot afgelopen zaterdag.

Instant happiness

Als ik zuchtend en steunend uit mijn werk thuis kom, zit je zo zichtbaar en vol onbedwingbaar enthousiasme te wachten op onze thuiskomst, dat mijn slechte humeur als sneeuw voor de zon verdwijnt als ik de voordeur opendoe. Zelfs als ik weer eens mopperend het honderondje maak in sombere periodes van mijn leven, weet jij uiteindelijk altijd een glimlach op mijn gezicht te toveren met je onschuldige reebruine ogen-met-eyeliner en vieze voorkeuren voor eendepoep en dode vissen. De wandeling op zondag met z’n drieën – of wie er dan ook verder nog bij is- is een feestje voor je, waarbij je de roedel angstvallig bij elkaar probeert te houden terwijl je dribbelend en snuffelend analyseert wie er al voor je op dit pad is geweest. Bij terugkomst denk ik vaak ’zo die ligt voorlopig nog wel even te snurken’ maar bij het eerste geritsel van een plastic zakje zit je alweer kwispelend en alert op de keukenmat te wachten of er iets uit dat zakje komt wat toevállig voor jou is.

‘Mam, kan Saar volgend weekend bij jullie terecht? We hebben weer eens een feestje…’ Ik voel me schuldig dat ik alweer mijn hond ‘uitbesteed’ – ik heb ten slotte zelf voor deze verantwoordelijkheid gekozen- maar tegelijk ben jij ook de makkelijkste en liefste hond die je maar kunt hebben om onder te brengen bij andere mensen; iedereen wil wel op jou passen. ‘Natuurlijk schat, we hebben niks.’ Opgelucht pak ik een zak met brokken, de riem en wat lekkers – een mand en voerbakken hebben mijn ouders zelf ook staan, als vast oppasadres. Je rent naar binnen zodra hun voordeur opengaat en grinnikend kust mijn vader me gedag. ‘Veel plezier hè!’

Hartedief

Ik kan en wil mijn tranen amper bedwingen. Dit kan er ook nog wel bij vandaag. Ik sta met je riem in mijn handen naar een voor mij onduidelijke röntgenfoto te kijken in een verduisterde spreekkamer die ruikt naar ontsmettingsmiddel, terwijl de arts met haar pen aanwijst waar ze het over heeft. Iets met een sterk vergroot hart, dat de luchtpijp wegdrukt en tevens vocht in de longen veroorzaakte. Wat niks te maken heeft met het geriatrisch vestibulair syndroom van een paar maanden geleden, maar wel dodelijker kan zijn. Op termijn. Welke termijn, is moeilijk aan te geven – maar dat je uiteindelijk eraan gaat overlijden, staat wel vast.

Verstandelijk weet ik dat ook jij oud wordt, dingen gaat mankeren – maar het komt toch nog onverwacht. Je bent altijd zo hard voor jezelf, en je laat zo min mogelijk alle ongemakjes merken. Het lijkt wel of je denkt ‘daar heb jij als baasje toch niks aan’ en verhelpen kan ik het vaak ook al niet.

Ik slik. Dan maar zorgen dat je het zo leuk mogelijk hebt de komende tijd. Je gaat gewoon met mij mee met op reis met de camper en zo zijn we lekker veel bij elkaar en kan ik je goed in de gaten houden. En als er íéts wat je superfijn vindt, is het bij mij –of liever bij ons samen- te zijn. Zo dichtbij mogelijk. Eróp als het kan.

Foto: Tineke Winterberg

Reismaatje

Anderhalve maand later leg ik je mand in de bus en haak ik je riem aan de haak die ik daarvoor speciaal heb gemaakt in de vloer van de camperbus. Je kijkt me aan met die mooie bruine grote ogen met eyeliner onder je witte wimpers, waarin ik een beetje hoopvolle spanning denk te lezen. Ik schuif de zijdeur dicht en zeg opgewekt: ’Daar gaan we Saar! Gezellig op pad. Wij rooien dit samen wel.’ Na een uurtje rijden weet je niet hoe gauw je uit de auto moet springen als de deur opengaat en ik mopper ‘je hangt jezelf zo nog eens op! Doe toch eens rustig …’ Maar nog geen halve minuut later scharrel je tevreden in de nieuwe omgeving rond met je neus over de grond en kom je op mijn ‘Saar!’ al snel aangedrenteld. Dit is best leuk!

Nog eens twee maanden later sta ik voor de huisdeur de camperbus in te laden als ik me afvraag waar je bent gebleven. Je ligt in het zand onder de boom die naast de bus staat en je heft je koppie alsof je wil vragen: ‘je gaat toch niet zonder mij weg hè?’ Als ik je mand uit de gang pak, zit jij al in de bus, ook al willen je heupjes niet altijd net zo snel als de rest en kost het je twee keer springen om zonder opstapje in de bus te komen. Maar optillen mag ik je niet, zo getuige je gespartel. Kwispelend en hoestend-hijgend van opwinding maak je een hupsje als ik de bus start: we gaan weer! En hee: hoe leuk is dit! De andere baas gaat ook mee! Joepie!!

Dit keer hoef je maar een kwartiertje te rijden, wat je helemaal niet meer zo erg vindt als in het begin. Je weet inmiddels dat er een nieuwe wereld voor je ligt als je mag uitstappen; een wereld die erop wacht om door jou besnuffeld en ontdekt te worden. Het leven is mooi: op wat nare hoestbuien en wat vieze pillen die ik verstop in pindakaas na, is elke dag weer een groot snuffelfeest en ben je dicht bij de baasjes en grotendeels in de buitenlucht. Dat geeft nog steeds de nodige energie.

 

Koude kermis

Maar na een heerlijke week met z’n drieën mer de camper op pad te zijn geweest, valt het je wel heel zwaar allemaal. De hoestbuien worden erger en je gaat steeds vaker slijm spugen. Als we je voor een weekendje bij opa en oma achterlaten voor een festival, is het binnen 24 uur al zo verergerd dat mijn moeder me op het feest belt: ‘Ik denk dat je langs de dierenarts moet met Saar.’

De feeststemming slaat om en we rijden halsoverkop met een geleende auto terug naar Haarlem, waar we een vermoeide, futloze Saartje aantreffen. Mijn angstige voorgevoelens worden met elke blik naar jou en je gedrag sterker en het ‘wat als’-gesprek met Tim op de weg hierheen dreigt opeens wel erg dichtbij te komen.

We kunnen dezelfde middag nog terecht bij het dierenziekenhuis en de dienstdoende arts is warm, vriendelijk maar duidelijk: jouw lijfje is op. Er valt nog wel wat te rekken misschien, maar zonder garanties dat het verbetert en voor maximaal een week of twee.

Terwijl de tranen weer in mijn ogen stromen, schud ik verbeten mijn hoofd en zeg ik hardop wat we allebei denken: we zullen jou nóóit laten stikken. Dus dat betekent dat we dat voor moeten zijn en ons eigen verdriet opzij moeten zetten om jou het meest rustige einde te geven wat we maar kunnen. Jouw onvoorwaardelijke liefde voor ons kunnen we niet anders dan terugbetalen in het voorkomen van jouw lijden.

We zetten ons schrap, openen onze armen en schoot, en voor een keer laat je je langzaam en zonder tegenstribbelen zakken in onze armen. Als ik snikkend fluister ‘Je mag het opgeven Saar, je hebt zo hard gewerkt. Laat je maar gaan’ laat je ook de laatste spanning in je lijfje wegvloeien en zakt je koppie volledig ontspannen in mijn hand. Rustig maak je de oversteek naar de hondenhemel.

Schuldgevoel

Nog steeds denk ik wel eens ‘Heb ik het niet overdreven naar de arts, waardoor je nu bent gestorven terwijl je misschien nog wel even had kunnen doorleven?’. Ik stel steeds dezelfde vragen aan mezelf: kwam dit mij niet gewoon ook goed uit? Durfde ik de sores van een ouder wordend hondje gewoon niet meer aan? Maar gelukkig herinnert mijn andere hersenhelft zich de woorden van de arts, die nog altijd weerklinken in mijn oren: ‘Met medicijnen kunnen we haar nog misschien een klein stimulansje geven, voor maximaal een week of twee… maar zonder garantie op succes. Ze kan daarvoor al stikken in haar eigen vocht’ – en dan weet ik weer dat we het juiste besluit hebben genomen. Ik zou jou nooit kunnen laten lijden als ik een mogelijkheid heb dat te voorkomen.

Hersenschimmen

Ik zit in mijn stoel voor de camper en zelfs nog terwijl ik dit typ, denk ik het getik van je nageltjes op de tegels te horen en kijk ik even op waar je bent. Ik  mis je gedreutel, je neus onder mijn hand, je starende blik als je eten wil of een loopje. Je kwispelende staartpuntje als ik je ook maar een steelse blik toewerp uit mijn ooghoeken. Hoewel de camper een stukje ruimer is zonder jouw spullen erin, is ie tegelijkertijd ook vervelend leeg.

Het is altijd gek hoe je pas na een verdwijning uit je leven, iets of iemand waarderen gaat. Of dingen doorziet.

Saartje treuzelde extra als ik haast had. Saartje was (of leek) nog ondeugender als ik kribbig deed. Saartje was geen hond die bij je kroop als je verdrietig was, maar ze was er gewoon wel altijd. Ze zocht altijd contact met je. Saartje heeft me dingen laten zien waarvan ik me nu pas bewust ben, en heeft me dingen doen besluiten waarvan ik niet weet of ik die zonder haar had genomen.

 

En jij, lieve Saar, bevestigt mijn voornemen om het maximale uit het leven te halen, nu en wel onmiddellijk, omdat je nooit weet hoe lang het leven nog duurt en hoe lang je nog alles kunt. Ik weet dat je vanaf je zachte hondewolkje (met een opstaand randje waar je lekker tegenaan kan liggen) op ons neerkijkt met een zacht zwiepend staartje en je schuine koppie, en daarom zend ik je mijn gedachte: dankjewel. Dankjewel.

Foto: Eric ten Napel